Wonderlijke tijden. Verstoring van de bestaande orde. Wat voor jou belangrijk is wordt bedreigd – en je zoekt steun, houvast, geborgenheid. Je behoefte aan zekerheid groeit, maar waar vind je die nog? De werkelijkheid schreeuwt je toe: ’Je bent op jezelf aangewezen!’ Ben je dus alleen? Nee! Want we zijn hier samen. Niemand is alleen. En we hebben elkaar nodig. Meer dan ooit. Deze tijd vraagt om tevoorschijn komen. Laten zien wie je bent. Je niet meer verschuilen maar meedoen. Inbrengen wat jij kunt bijdragen – door te doen waar jíj blij van wordt. En je door niets of niemand meer bang laten maken. Wanneer je de moed kunt opbrengen om voluit te leven – recht uit je hart, en geholpen door je hoofd – ben je minder alleen dan je denkt. Dan kun je steun, houvast en geborgenheid ervaren. Bij jezelf, en bij de ander. En dan heb je ook wat te geven – dan geef je wie jij in wezen bent.

dinsdag, maart 13, 2012

Breken om open te gaan


Het is jaren geleden dat ik hem gezien of gesproken heb. Hij heeft de crisis aan den lijve ondervonden. Van zijn bedrijf van tien mensen rest nog één man, hij zelf. Zijn vrijstaande huis werd een flat.

Maar hij is niet failliet gegaan, iedereen is betaald. Zijn relatie is steviger dan voorheen, en ze willen nu graag een kind. Hij is afgevallen, en gaat daar mee door. Hij is steeds zekerder van zijn geloof.

En hij is opener dan ooit. Hij vertelt wat hem raakt, en dat kun je aan zijn ogen zien. Hij hoeft zich niet meer groot te houden, laat zich minder gelden. Hij vindt het genoeg om er te zijn.

‘Blijkbaar moest ik breken om open te gaan,’ zegt hij.


‘There is a crack in everything, that’s how the light gets in.’
Leonard Cohen, Anthem

maandag, maart 05, 2012

Ik wist niet dat ik gelukkig was



Een workshop voor professionals. Over belemmeringen in ons dagelijks functioneren. Een onderzoek naar onderling gedoe – waar je zomaar in verzeild kan raken. Allemaal afleiding van wat je wilt: met plezier samen werken. En nodeloos verlies van energie – die je wilt besteden aan je passie, aan je werk. Niet aan gehannes met collega’s.

Via een visualisatie gaan we terug naar onze jeugd. Waar was je? Wat was je aan het doen? Hoe voelde je je toen? En wat is het grootste verschil met nu? Een deelnemer antwoordt: ‘Dat ik toen niet wist dat ik gelukkig was...’ Hij probeerde niet gelukkig te zijn. Hij was het gewoon. Had nergens spijt van. En geen zorgen. Geen verleden, geen toekomst. Hij leefde in het heden. Hij was gelukkig, in het nu. Zonder het zich bewust te zijn. Hij had er geen weet van.

Gelukkig maar, hij wist niet dat hij gelukkig was. Anders zou hij gelukkig willen blijven. En daar word je gegarandeerd ongelukkig van. Want gelukkig willen zijn werkt niet. Willen kan je van A naar B brengen. Maar je wil schiet tekort als het over geluk gaat. Erover denken helpt ook niet. Gelukkig zijn gebeurt in je hart. Je kunt het voelen als je niets wilt, en nergens aan denkt. Als een kind. Spelend en blij. Nog onbevangen.

[Verschenen als column op hetkind]

vrijdag, januari 20, 2012

Kiemen waar je blij van wordt


Je kunt meer dan je denkt. In ons hoofd zitten onze beperkingen. Daar denken we dat iets niet kan. Daarom helpt het om niet te denken maar te doen. Niet te denken of je iets doet (dan slaat de twijfel toe), wel hoe je het doet (daar kun je je hoofd goed bij gebruiken). En niemand hoeft het alleen te doen. Al kunnen we ons wel alleen voelen. En vanuit dat gevoel denken we dat we er alleen voor staan. Dat we het niet kunnen, soms zelfs het leven niet aan kunnen. Dat we hulp nodig hebben. Klopt. Niemand kan het alleen, we hebben elkaar nodig. We hebben behoefte aan de ander. We hebben behoefte aan nabijheid. We hebben behoefte aan liefde. En wie geeft die liefde? De ander. We worden gelukkig van andere mensen. Zoals we er ook ongelukkig van kunnen worden. Als onze liefde niet wordt beantwoord.

In de 20e eeuw zijn we eraan gewend geraakt dat er voor ons wordt gezorgd. Heel goed gezorgd zelfs. Door de overheid. De verzorgingsstaat. Daarmee gaat iets niet goed. Mensen met verstand van geld zeggen dat het onbetaalbaar wordt. Hoe dat ook zij, de overheid zorgde goed voor ons en wij konden ons ontwikkelen en ontplooien. We werden steeds beter opgeleid en raakten het steeds beter gewend. En sinds de jaren zestig hebben we onszelf ook nog bevrijd. Iedereen wil vrij zijn. Daarom is de discussie over hoofddoekjes zo verwarrend. Moslima’s willen vrij zijn om een attribuut te dragen dat volgens anderen nou juist staat voor onvrijheid. En willen het daarom verbieden. Wat heet dan vrijheid? Hoe dan ook, iedereen wil zich vrij voelen. ‘Het is mijn leven en ik doe wat ik wil.’ Dat is de stemming.

Dat bij vrijheid ook verantwoordelijkheid hoort is lastiger. Verantwoordelijkheid, daar zit niet iedereen op te wachten. ‘Dat maak ik zelf wel uit!’ Daar zit een gekke spanning. En zit je zo maar in een wonderlijk gesprek over de toenemende individualisering die onze samenleving onleefbaar zou maken. We vermoeden overal hufters en aso’s, en dat worden er alleen maar meer. En internet maakt mensen eenzaam. Nog eenzamer dan ze al zijn. Kortom, kommer en kwel. En nu ook nog die bezuinigingen. Afbraak van alles wat ons lief is en ons zekerheid verschafte. Ondertussen zijn we het meest welvarende en meest tevreden land ter wereld. Met de rijkste armen. Als je dan toch arm bent kun je dat maar beter in Nederland zijn. Eigenlijk ongelofelijk. Hoeveel geluk kun je hebben? Zeven miljard mensen hebben het minder goed. En wij zijn bang dat het minder wordt.

Het kan alleen maar beter worden. Als we op het andere been gaan staan. Van ‘zorg voor mij (en daar heb ik recht op)’ naar ‘waar kan ik zelf voor zorgen en waar kunnen we samen voor zorgen?’ Want we kunnen veel meer dan we denken. Als we niet denken in beperkingen. Als we gaan beseffen in welke overvloed we leven. En dan niet alleen de materiële overvloed die, inderdaad, niet gelijk verdeeld is. Nee, de overvloed aan energie die we allemaal hebben. Want de meeste mensen willen niet alleen graag geholpen worden, ze willen evengoed helpen. Daar hebben we energie genoeg voor. En je krijgt er energie van. Want helpen is bevredigend. Zo zitten we blijkbaar in elkaar. We willen niet alleen graag iets ontvangen maar ook graag iets geven. Zorg bijvoorbeeld. Of aandacht. We willen er graag voor een ander zijn - als het maar niet verplicht is. Want van moeten gaan we steigeren. Verplicht helpen verdommen we. Maar van onverplicht helpen knappen we voelbaar op.

Er komen kiemen op. Kiemen waar je blij van wordt. Mensen die elkaar onverplicht helpen. Mensen die zeggen ‘ik wil graag iets doen, als ik het op mijn manier mag doen’. Mensen die uit eigen beweging gelijkgestemden zoeken. Mensen die zich ongedwongen verbinden. Niet omdat het moet, maar omdat ze er zin in hebben.

Gesproken column tijdens InspiRAADZie - inspiratieavond van de gemeenteraad van Oss op 19 januari 2012.

donderdag, oktober 06, 2011

Your time is limited (Steve Jobs)



Steve Jobs is dood. Dat voelt naar. Z'n ideeën zijn nog springlevend. Hier is ie nog een keer op video, zijn Stanford Commencement Speech 2005‬.



“Your time is limited, so don't waste it living someone else's life. Don't be trapped by dogma - which is living with the results of other people's thinking. Don't let the noise of other's opinions drown out your own inner voice. And most important, have the courage to follow your heart and intuition. They somehow already know what you truly want to become. Everything else is secondary.”

Hier de volledige tekst van zijn toespraak.

Stay Hungry. Stay Foolish.

maandag, juni 13, 2011

'Das ist erforderlich' (Anselm Grün)


Anselm Grün komt aanrijden in zijn Golf. Hij is een Duitse monnik. Beroemd, pensioengerechtigd en rijdt zelf. Uit de achterklep haalt hij zijn habijt en trekt die aan over z'n gewone-mensenkloffie. De zonderling met slobberkleren en baard-van-een-paar-jaar verandert in een paar tellen in een opvallende verschijning. Iemand waar honderd man op zit te wachten. Om te horen over spiritueel leiderschap. Over aansluiten op je innerlijke bron. Je krachtbron van binnen. De bodem in jezelf te vinden.

Hij vertelt een doorleefd verhaal. En zegt geen woord teveel. Zijn Duits is te begrijpen, door de eenvoud van zijn boodschap, en van zijn woorden. Gelukkig, hij heeft geen geluksrecepten. Hij is zijn boodschap: matig, blijmoedig, begripvol. Hij gelooft niet in illusies. Verzet zich niet tegen het leven. Erkent zijn gevoelens. Durft stil te staan bij zijn emoties, duwt ze niet weg - ze mogen er zijn. Benoemt wat er in hem leeft. Erkent wat er is. En daarom gelukkig. Op zijn tijd.

Na afloop vraag ik me af hoe ik zijn verhaal kan plaatsen in deze tijd. In mijn beleving een spannende tijd, waarin veel los komt. Ik zie hem nog met iemand en een kopje koffie staan en vraag hem vlak voor hij vertrekt: 'Nu alles minder zeker wordt, er minder structuur is, systemen onder druk staan, wat vast staat niet meer zo vast is, er zoveel verandering gaande is, en er zoveel in beweging komt, is het dan juist zaak om verder in onszelf te zakken, af te dalen naar wie we werkelijk zijn - onszelf op een diepere laag te leren kennen en daar onze zekerheid te vinden? En zo uiterlijke zekerheid te vervangen door innerlijke zekerheid?' Met pretoogjes kijkt hij me aan: 'Das ist erforderlich.' Niet zomaar nodig, maar zelfs noodzakelijk.

woensdag, mei 25, 2011

Een stille revolutie, geen macht zonder gezag


Er is iets gaande. En ik probeer te begrijpen wat. Ik zie mensen opstaan en tevoorschijn komen. In een verlangen naar ruimte en vrijheid. Jezelf uitdrukken zoals je bent. Niet meer gehinderd door hoe het gaat en hoe het hoort. En ik zie de machthebbers schrikken. Het systeem verkrampen, de structuren onder druk staan. Je ziet het in Noord-Afrika en het Midden-Oosten – en wie weet waar binnenkort nog meer. Het zou zo maar een nieuw 1989, een nieuwe Wende kunnen worden. En ik zie het dichterbij, direct om me heen. In de organisaties waarvoor ik werk. Alleen daar niet in de vorm van een opstand. Meer een stille revolutie. Een beweging vol eigenheid, eigenzinnigheid en eigenwijsheid. Waarin vrouwen een weinig opvallende maar cruciale rol spelen.

Steeds meer vrouwen
De vrouwen rukken op. Steeds meer vrouwen in organisaties, op allerlei plekken. Vanouds in de zorg, en toen het onderwijs. Nu bij de overheid en in de rechterlijke macht. En in de advieswereld, op advocatenkantoren en in de voedingsindustrie. En inmiddels op andere niveaus. Eerst waren er alleen verpleegsters en assistentes, nu volop vrouwelijke dokters. Eerst alleen secretaresses, nu volop vrouwelijke advocaten en rechters. Op de universiteit zijn ze al in de meerderheid. En steeds meer werkende vrouwen, dat gaat werken – dat werkt door in de cultuur van organisaties. Feminisering. Dat impliceert dat er ooit masculinisering was. Klopt. Toen mannen de kost gingen verdienen en de vrouwen thuis bleven. Mannen eropuit trokken en vrouwen gingen zorgen - en mannen de baas werden. Wat zo ver ging dat je tot in de jaren zestig als vrouw werd ontslagen zodra je trouwde. Een aantal van onze moeders hebben het meegemaakt.

Steeds meer gelijkheid
Als je nu goed opgeleid en vijfentwintig bent maakt het hoegenaamd niet meer uit of je man of vrouw bent. De balans in organisaties is aan het verschuiven. Onderaan de piramide is er steeds meer gelijkheid. En over piramide gesproken, die is een stuk minder steil aan het worden. Het begint meer op zo’n uienkoepel op een Oostenrijks kerkje te lijken. Uitgedijd van onderen, door de steeds plattere organisatievormen. En hoe platter de organisatie, hoe meer gelijkheid, en hoe minder verschil – in verantwoordelijkheid, bevoegdheid, beloning, status, macht. Steeds minder afdelingen, steeds meer projectteams. En steeds meer gaat het over wat je in te brengen hebt, sterker nog: wie je bent. Je wordt voor een team gevraagd vanwege jouw specifieke kwaliteiten, om jouw unieke bijdrage. Je kostje is dus ook niet meer gekocht als je eenmaal in een functie zit. En die zijn er ook steeds minder.

Steeds meer nu
Twee bewegingen dus. Steeds meer vrouwen, en steeds meer gelijkheid. En een derde beweging. Minder opvallend, een stil proces. Mannen gaan minder werken. Steeds meer mannen werken vier dagen per week. Nog weinig veertigers en vijftigers, wel veel twintigers en dertigers. Jonge mensen lijken een ander arbeidsethos te hebben. Sterker nog, het is een woord dat ze niet eens kennen. Je werkt zoveel als je wilt, je werkt zoveel als volgens jou nodig is. Omdat je er plezier in hebt, of om de huur of hypotheek te betalen, of allebei. Vijf dagen is geen uitgangspunt. Het is andersom: hoeveel dagen wil ik eigenlijk werken? Waarbij hoogopgeleide mensen het makkelijk hebben, ze verdienen sowieso veel geld, meer dan genoeg om rond te komen, zeker als je samenwoont. Ze hebben hun ouders voor geld en carrière zien werken. Ze hebben de gevolgen ervan gezien. Teveel stress en te weinig thuis. Jonge mensen doen het anders. Maar wat wil je, als je een wereldreis van een jaar hebt gemaakt? Dan weet je dat er meer te koop is in de wereld dan vijf dagen per week opgesloten zitten in een kantoor. Dan wacht je niet met genieten van je leven tot je met pensioen gaat.

Steeds meer bewustzijn
Die ‘vrijheid, blijheid’ is een gruwel in de ogen van de calvinisten die ons waarschuwen voor de opkomende economieën. Want we moeten concurreren. Dat betekent volgens hen hard werken, uren maken, buffelen. Maar het is een denkfout. Want Chinezen werken harder, Indiërs zijn intelligenter en Brazilianen zijn beweeglijker. Daar is niet tegen op te boksen. Bovendien, we hebben het al gedaan. In de Gouden Eeuw, met onze VOC-mentaliteit. Die zijn we godzijdank bijna kwijt. Want we zijn verder, veel verder. We zijn hartstikke creatief en we kunnen bijzonder complexe zaken aan. We begrijpen heel goed andermans problemen en kunnen die helpen oplossen. Dat exporteren we, maar niet op een agressieve en overweldigende manier, zoals vroeger, want dat hoort daar niet bij. We beschikken inmiddels over een bewustzijn waarmee we veel kunnen overzien en nog meer begrijpen. Daar zit onze meerwaarde.

Steeds meer inlevingsvermogen
Hé, overzien en begrijpen, dat zijn toch vrouwelijke eigenschappen? En agressie en overweldiging, dat zijn toch mannelijke trekken? Zijn we dan watjes aan het worden? Ja, misschien wel. In ieder geval is inlevingsvermogen een steeds meer gewaardeerde kwaliteit aan het worden. Je kunnen inleven is ook het verschil tussen een manager en een leider. Een manager wil het voor elkaar krijgen op korte termijn, kost wat kost. Een leider gaat voor besluiten die breed worden gedragen – omdat mensen zich gehoord en begrepen voelen. Het verschil tussen collateral damage en duurzaamheid. En het toeval wil dat vrouwen nu eenmaal beter zijn in inleven dan mannen, en daardoor vaak betere beslissingen nemen. En mannen graag snel willen scoren, en vaak niet in de gaten wat ze daarmee aanrichten in hun relaties en omgeving.

Je overgeven aan de nieuwe werkelijkheid
Maar de tegenstelling mannen – vrouwen is te makkelijk. Het ligt net anders. Het gaat om mannelijke en vrouwelijke energie. We komen uit een wereld waarin de mannelijke energie overheersend is. Dat drukt zich uit in machtsstructuren en gezagsverhoudingen. En het werkt steeds minder. Hoe meer bewustzijn we ontwikkelen hoe minder we ons ergens iets aan gelegen laten liggen. Bevalt het je niet? Dan ga je ergens anders werken, of je begint voor jezelf. In de Arabische wereld zijn de mensen zich aan het bevrijden van dictators. Wij zijn ons aan het bevrijden van alle macht die geen gezag heeft. Het organisatiesysteem is gewend aan ‘kennis is macht’. Maar dat bestaat nauwelijks meer in onze wiki-wereld. Alles is toegankelijk, iedereen kan overal bij. Binnenkort kun je niemand meer voor de gek houden, want alles wordt doorzichtig. Daar zit je dan, als leidinggevende vijftigplusser, gewend aan slim doen en handig zijn, iedereen te snel af. Dan rest nog maar een ding: je overgeven aan de nieuwe werkelijkheid. Waarin mannelijk en vrouwelijk samen opgaan en elkaar aanvullen. Een werkelijkheid waarin van vrouwen stevigheid en besluitvaardigheid wordt gevraagd, en van mannen zachtheid en begrip.

(Verschenen in: Tijdschrift voor Management Development jaargang 19, nummer 2, zomer 2011)

woensdag, april 20, 2011

Leadership is overglorified (Derek Sivers)




Leadership Lessons from Dancing Guy - de ultieme relativering van alle verhalen over leiderschap, < 3 min. video van Derek Sivers

dinsdag, april 19, 2011

Den Haag is een dorp



Een van onze buren, Paul, heeft een ongeneeslijke spierziekte, ALS. Hij wordt steeds zwakker en raakt op den duur volledig verlamd. Een paar jaar geleden nog een gezonde, actieve kerel, groot en sterk, nu zit hij een elektrisch wagentje. Hij was altijd hun huis aan het verbouwen, nu wordt het voor hem verbouwd. Hij kan nauwelijks meer praten, communiceert via een spraakcomputer en heeft 24-uurs verzorging nodig. Hij is halverwege de veertig, hij is getrouwd en heeft twee kinderen, op de basisschool.

Paul heeft een sterke vrouw, Myra. Ze heeft het zwaar maar ze zit niet bij de pakken neer. En ze kan goed organiseren, op een manier die uitnodigend en aanstekelijk is. Vlak voor Sinterklaas gaven Paul en Myra een feest, in het café op het plein om de hoek. Aanleiding was de verjaardag van hen allebei. Reden was hun dankbaarheid. Het stond er vol. Helemaal vol met mensen die op de een of andere manier ‘iets’ doen voor hun gezin.

Tientallen mensen die de kinderen naar school brengen, boodschappen doen en koken, bedden verschonen en de was doen, Paul’s lunch verzorgen en hem medicijnen geven, de kinderen uit school halen, de kinderen naar balletles en het voetbal brengen, en weer halen - tot en met de tafel afruimen, de katttenbak doen, de vuilnisbakken, de broodtrommels, de ontbijtboel, de weekboodschappen, en hulp bij de administratie.

Allemaal vrijwillig aangeboden. Door opa en oma, vrienden, bekenden, buren. Vaak uit henzelf, er is allerlei eigen initiatief. Zo heeft een van de buren voor de zaterdag een kooktoerbeurt georganiseerd. Acht buren doen mee. Rond zessen kun je een van hen met een warme pan of ovenschaal over straat zien gaan. Nog leuker dan de taartenbakwedstrijd op het jaarlijkse straatfeest. Want nu gaat het ook nog ergens over.

Dit zei Myra in haar ‘feestrede’: ‘Ik weet dat iedereen onze dankbaarheid wegwuift met ‘Geen moeite, graag gedaan’. Voor ons is het niet vanzelfsprekend. Vooral mijn leven zou er anders uitzien, als jullie er niet voor ons zouden zijn. Door jullie inzet kan ik ook nog min of meer gewoon ‘de vrouw van’ en ‘de moeder van’ zijn, ben ik niet alleen de facilitaire dienst en de verzorging. We kunnen nog tijd voor elkaar nemen en samen leuke dingen doen. Laten we het glas heffen op onszelf, op elkaar en op het leven! Proost!’

Ton, de vader van Myra, gepensioneerd en toegewijd, zag het allemaal aan op het feest in het café. De opgewektheid, de blijdschap, de dankbaarheid. De mix van licht en zwaar. En hij zegt: ‘Ik woon in een dorp, daar zou je dit verwachten. Maar hoe jullie dit hier in de stad voor elkaar doen, dat heb ik bij ons nog niet meegemaakt.’

Gesproken column tijdens het Reuring! Café van dinsdag 19 april 2011.

zondag, maart 20, 2011

Allemaal mensen

maandag, maart 14, 2011

Weten dat je het niet weet

DSC00106

Om negen uur begint de wekelijkse vrijdagochtendbespreking op het partijbureau. Door de kabinetscrisis moet het verkiezingsprogramma –waar we nog maanden voor dachten te hebben – binnen de kortste keren klaar zijn. Het is mijn taak om, net als een kleine vier jaar eerder, de inleiding te schrijven. Rode draad, het grote geheel. Dat doe ik niet alleen, daar werk je met z’n allen aan. Alleen al omdat iedereen daar wel iets van vindt. Zo’n inleiding wordt dan ook vanzelf behoorlijk omvangrijk. Dus er is ‘een inleiding van de inleiding’ nodig. Overstijgend en overtuigend. Helemaal iets voor mij, vindt iedereen. Dat weet ik al een week. Maar het komt er niet uit. Ik kom er niet uit. Geen idee wat er in moet komen. Wat valt er nog meer te zeggen? Het moet die dag wel klaar zijn. De tijd dringt, de druk loopt op. ‘Alle ogen zijn gericht op Kwatta.’ Zo voel ik me. Niet goed.

Naar de kelder
‘Voor we beginnen wil ik graag wat zeggen. Ik heb net iets ontdekt. Over de inleiding van de inleiding, en over mezelf. Ik kan het niet alleen. Ik heb jullie nodig.’ Verbazing, ongeloof. Hoezo? Wat bedoel je? ‘Echt. Ik kan dit niet alleen. Ik heb jullie nodig.’ Verwarring. Begin van ergernis. Kom joh, dat kun jij toch? ‘Ik meen het. Ik kan het echt niet alleen. Ik heb jullie hulp nodig.’ Dan zeggen de twee jongsten - slimme jongens, aanstormend talent - ‘We helpen je.’ We gaan naar de kelder. Onder de kloostermoppen praten we ruim een uur. ‘Bedankt jongens, ik ben eruit.’ De stroom komt op gang en ’s middags mail ik een paar honderd woorden rond. Onmiddellijk reacties. Mail, sms, telefoon. Niet gebruikelijk. Oprechte complimenten. Al helemaal niet gebruikelijk, zeker niet in de politiek.

Niets meer aan doen
De volgende ochtend is de grote afrondende bijeenkomst met alle direct betrokkenen bij het programma. Als dagopening lees ik het stuk voor. Doodse stilte. ‘Amen’ zegt iemand op het eind. ‘Wat ze ook zeggen, niets meer aan doen’ zegt een mediakanjer naast me. Middenin het verhaal staat de sleutelzin, waar ik me pas echt van bewust van word als de krant die – min of meer verbaasd – aanhaalt: ‘Geen mens kan zonder de ander. We hebben elkaar nodig’.

Ik weet het niet
De feministes in de jaren zestig zeiden ‘het persoonlijke is politiek’. Of ze ook bedoelden dat de oplossing van een persoonlijk probleem de kern van een gezamenlijke kijk op de samenleving blijkt te zijn weet ik niet. Wat ik wel weet is dat ik het vaak niet weet. Meestal eigenlijk niet. En als ik dat durf te erkennen kom ik eruit. Andersom, als ik niet kan toegeven dat ik het niet weet dan heb ik een probleem. En ik niet alleen, mijn omgeving ook. Want dan lever ik niet waar anderen op wachten. En van mij verwachten, net als ikzelf. Maar ik hoef het niet alleen te doen. Dat denk ik maar. Niet goed voor m’n gezondheid. Dodelijke gedachte.

Laat gaan
Uiteindelijk hebben we het over ego. Want het is m’n ego dat mij, en mijn omgeving, wil doen geloven dat ik alles weet en niet om hulp hoef te vragen. M’n ego heeft me ver gebracht – in een programmacommissie!, columnist bij een tijdschrift! – maar het zit me net zo goed in de weg. ‘Ikke, ikke, ikke...’ Daarnaast de beelden die ik blijkbaar over mezelf en het leven heb: ik moet alles kunnen, en ik mag anderen niet lastig vallen. Hoe verzin je het? Wie zegt dat? Hoe kun je jezelf in de weg zitten? Domweg oude patronen, met de nadruk op dom. Niet meer nodig. Afscheid van nemen. Laten gaan. Al doet dat zeer. Want het is ‘ik’. Maar wel m’n kleine ‘ik’. Het is m’n grote ‘IK’ die kan zeggen: ‘Ik kan het niet alleen. Ik heb jullie nodig.’


Aan management developers de taak om (toekomstige) managers hun eigen kleine ‘ik’ te leren kennen, er van een afstand naar te kijken, en ze de enorme potentie van hun grote ‘IK’ te laten ontdekken. Want ook grote managers en leiders kunnen het niet alleen. Juist zij niet.


(Verschenen in: Tijdschrift voor Management Development jaargang 19, nummer 1, voorjaar 2011)

woensdag, februari 09, 2011

In gesprek met Otto Scharmer (Theorie U)

Maandag 7 februari jl gaf Otto Scharmer - bekend van Theorie U, en het gelijknamige boek dat hij een jaar geleden in Amsterdam presenteerde - een Masterclass op de conferentie 'Elk kind is een belofte' van de stichting Duurzaam Leren.

Voor het NIVOZ en het kind stelde ik hem één brandende vraag: 'Wat is het beste advies dat u kunt geven aan iemand die elke dag staat voor de klas staat ?'

Hier is zijn antwoord, bescheiden, verrassend en indringend - en niet alleen relevant voor leerkrachten, maar voor iedereen die dagelijks met mensen werkt:


Otto Scharmer - De 6e conferentie Duurzaam Leren from 21/12 PRODUCTIES on Vimeo.



Dr Otto Scharmer (MIT) on learning and learning environments


Sustainable Learning Conference, February 7, 2011, Den Haag, NL

The greatest advice I can give is something I have come to learn in my own learning process: every profound process of learning is not about filling an empty barrel called ‘student’ with knowledge until it is full. The learning process is basically about igniting a flame. Igniting a flame and using that, you could almost say a sacred source, of wandering, of questioning, of aspiring to know. Of grasping something larger than just myself, to nurture that, to hold the space for that and to partner with that sacred force of learning. That flame is the deeper humanity within us, the knowledge that I already bring when I am growing up, when I am being born.

I do a lot of advanced knowledge creation and work with younger and senior leaders, institutions and organizations and what I really do... Is not just knowledge about the world, but the most important is knowledge about yourself, self knowledge. It is that dimension of knowledge, knowing who you are, as a human being, and what the difference is you want to make in the world.

In adult populations self knowledge is the most difficult to teach and yet the most important one to attend to and also the most appreciated from the side of the learners. I experience this across sectors in society and cultures all over the world. There is a deep hunger for that. I also experience that with twenty-somethings at MIT. The younger generations coming in are much more open for that deeper self knowledge than we would have been a generation ago. I think it goes deeper and deeper into the student generation that now is attending the schools.

If I have any core competence than it is being a teacher – that is what I am feeling a little comfortable to talk about, based on my own experience. So how do you operate as a teacher? Self knowledge can not be taught from outside. You can only make the learner become aware of what they already know. That’s really the essence of self knowledge and the deeper work of learning in leadership in all institutions today. Because I know a few people from the younger generations... I think what is new in this century, is that people wake up to that level of inquiry and interest and knowing, way before we used to when we grew up. I think that’s the cutting edge of learning.

So how do you attend to all these different biographies, to helping people to explore context that can help to become aware of who you really are and what is the main mechanism there? One of the main mechanisms I am using, in finding out who I really am – much is about reflecting – is by moving out into the world. By having deep emerging experiences with different 'pockets' of society – particularly the underprivileged, the voiceless, the powerless. As I connect to them I become part of the social field. That social field is opening up my deeper capacities of empathy, of feeling, of attending. It’s not just emotion – it’s how I connect to the larger social field around us. That’s the real source of entrepreneurship, of innovation, and also of cohesion in society that very often is about to break apart as we know – even here in Holland, which has always has been the role model for integration. We know it is already broken apart in other countries.

Another aspect that I am focusing on in my environments of adult learning is not only to help people to access to empathy but also to help people to open to the deeper capacities of will – the Open Will. The Open Will has to do with my hand, with the doing, with learning by doing. People across all cultures very naturally connect to this learning by doing. I think it is much more important today than it was a generation or two ago, because the learning is through doing it, not just through theoretical models. The open will also means having a deeper knowing of who you really are and the change that you want to bring about. So those are environments that if you want to create them as an educator, what you do is on the one hand you allow people to have deeper emerging experiences in society at special topics, you allow them to create experiments where they help, where they try to make a difference in society and you help them to create deeper reflective spaces.

One practice I am using myself when I work with groups or with teams is that, every evening before going to sleep, I try to put myself into the service of that community, of these people. Just to align your own attention with the purpose, helping these groups or individuals to connect with their deeper capacity of creating and of making a difference. That is what I have found useful and a little bit my own experience.

maandag, januari 31, 2011

Zonne Energie

November 1988 stond ik 's nachts bij de Berlijnse Muur. Het was koud en donker. Kale wachttorens, onneembaar en naargeestig. Er ging ineens een telefoon. Zo'n ouderwets geluid, dat iedereen nu als ringtoon heeft - maar dan vele malen indringender. Ik schrok me rot. Als iemand me toen gezegd had: 'Over een jaar staan op deze muur mensen te dansen' had ik het niet geloofd. Gaatje in je hoofd. Precies een jaar later was het zover. Genoeg kritische massa, het was niet meer te houden. Precies wat nu in Noord-Afrika gebeurd. Dat leek tot voor kort ook niet mogelijk.

De gebeurtenissen in Egypte doen me weer denken aan een artikel dat ik meer dan tien jaar geleden schreef. Door een blog van Michel Gastkemper werd ik eraan herinnerd. Niet wetenschappelijk van opzet, nauwelijks onderbouwd - intuïtief en narratief. Het verscheen zomer 2001 in Jonas magazine. Hieronder een bewerking, aangepast aan de actualiteit. Oordeel zelf over de relevantie.


Augustus 1980 stap ik samen met mijn beste kameraad op de stadstram in Boedapest. We zijn al anderhalve maand op reis door de Balkan en Oost-Europa. We horen net over de stakingen op de Poolse werven van Gdansk. Solidariteit, Lech Walesa. Ik moet onwillekeurig denken aan de Praagse Lente. Alexander Dubcek, 1968. En dan aan de opstand in het land waar we nu zijn, Hongarije, 1956. In de muren van sommige gebouwen zijn de kogelgaten nog te zien. 'Gek hè?, zeg ik in de schuddende tram tegen Maarten, die geschiedenis studeert. 'De Praagse Lente is toch twaalf jaar geleden? En de Hongaarse opstand weer twaalf jaar daarvoor?' 'Nou èn?', zegt Maarten. 'Dat is toch opmerkelijk?', roep ik boven het gepiep en geknars van de stadsboemel uit. Hij haalt z’n schouders op, kan er niets mee. Ik laat het er verder bij.

Het is Quatorze Juillet, 1989. Op de Champs Elysée kijk ik samen met duizenden anderen naar tientallen jonge Chinezen die bellend naast hun fiets lopen. De opstand op het Plein van de Hemelse Vrede is net neergeslagen. Als een (machteloos) gebaar van solidariteit zijn gevluchte studenten uitgenodigd deel te nemen aan het grandioze defilé ter viering van tweehonderd jaar Franse vrijheid, gelijkheid en broederschap. De studentendemonstraties die Frankrijk in mei ’68 verscheurden, liggen ver achter ons.

Maar die bellende studenten zijn pas het begin. De opstand in Beijing werd nog neergeslagen, maar een paar maanden later is het niet meer te houden. Er hangt iets in de lucht: spanning, opwinding. Er staat iets te gebeuren, en hoe: de Berlijnse Muur wordt met enorme hamers gesloopt. Die mokerslagen lijken het startschot voor een wereldwijde run naar de vrijheid. De Sovjet-Unie begint uit elkaar te vallen en zelfs (of juist) Michael Gorbatsjov kan niet meer stoppen wat in gang is gezet. Nelson Mandela loopt als een vorst de vrijheid tegemoet, de Apartheid wordt bij wet opgeheven.

Na de Tweede Wereldoorlog zat er voor de meeste koloniale mogendheden niets anders op dan hun overzeese gebieden langzaam maar zeker te laten gaan. Bewegingen van onderop waren niet te stuiten, meestal aangevoerd door een charismatische leider. Gandhi in India, Soekarno in wat ooit 'Ons Indië' was. Vanaf WO II is er een ritme, een cadans. Eerst ontstaat er onrust, een kleine beweging. Nog nauwelijks merkbaar of zichtbaar, maar energie begint zich samen te ballen. Dan ineens, zonder duidelijk aanwijsbare reden, laaien de vlammen op. Op hetzelfde moment gebeuren op verschillende plaatsen ineens vergelijkbare dingen. Het werkt aanstekelijk, heel snel doen velen mee. Het gaat als een lopend vuurtje. Het lijkt wel een internationale choreografie, wereldwijd vol vuur gedanst.

En het gaat met sprongen in de tijd. Midden jaren veertig: de dekolonisatie van India, Indonesië; tweede helft jaren vijftig: Hongaarse opstand, Cubaanse revolutie; eind jaren zestig: Praagse lente, studentenopstanden van mei ’68; eind jaren zeventig: Iran, Nicaragua, Polen; eind jaren tachtig/begin jaren negentig: Plein van de Hemelse Vrede, Berlijnse Muur, uiteenvallen Sovjet Unie, opheffing apartheid, Nelson Mandela vrij; en begin deze eeuw, in 2001 nine-eleven, 11 september - in het Westen een onbegrijpelijk drama, door veel moslims gevierd als een overwinning. En nu lijkt het niet meer te houden in Noord-Afrika en misschien slaat het wel over naar de hele Arabische wereld. Regimes beginnen om te vallen. De massa's voelen de macht van het getal.

Ongeveer elke tien, elf, twaalf jaar gebeurt er 'iets' dat verband houdt met losmaken, opstand, bevrijding. Het is steeds een beweging van onderaf. Machthebbers zonder gezag of legitimiteit liggen onder vuur. Mensen gaan de straat op, (een deel van) de wereld staat even in vuur en vlam. Verhitte strijd die op sympathie van velen kan rekenen: het zijn vaak idealen die aanstekelijk werken.

Sinds het midden van de negentiende eeuw weten we dat de zonneactiviteit een cyclus van ruim elf jaar kent: de zonnevlekken. Dan slaan enorme vlammen uit de zon richting aarde. De afgelopen vijftig jaar gebeurde dat midden jaren veertig, tweede helft jaren vijftig, eind jaren zestig, eind jaren zeventig, eind jaren tachtig/begin jaren negentig en in de eerste jaren van deze eeuw. En nu weer. Deze week nog in de krant en op het web: een simultane dubbele eruptie van de zon (foto boven).

Gemiddeld elke elf jaar is er verhoogde zonneactiviteit en ongeveer elke elf jaar maken we een periode van verhoogde politieke activiteit mee. 'Zomaar, ineens.' Aanstekelijk activisme, gevoed door idealen van vrijheid en onafhankelijkheid. En niet alleen het ritme van elf jaar komt overeen, ook de tijdsmomenten lopen synchroon. De politieke stormen woeden in dezelfde jaren als de zonnestormen.

maandag, januari 17, 2011

‘Zomaar’ moeilijk opvoedbaar


Een waargebeurd verhaal, niet zo lang geleden (er waren nog asbakken in het openbaar vervoer). Gehoord bij het NIVOZ, van een bekende Duitse orthopedagoog, Beate Letschert. Hoe gewone kinderen ‘zomaar’ moeilijk opvoedbare kinderen kunnen worden. Hoe het werkt.

Twee moeders staan te wachten op de metro. Ze zijn druk in gesprek. Tataratara. Ze hebben een klein meisje en een iets ouder jongetje bij zich. Die zijn allebei nog te jong om al naar school te gaan. Ze hebben geen deel aan het gesprek van de moeders. Het meisje ligt schattig in haar wagentje. Het jongetje staat er wat verloren bij.

Hij probeert de aandacht van zijn moeder te trekken. De moeder reageert kort en snel en praat weer verder met de andere moeder. Tataratara. Het jongetje vraagt weer iets en de moeder wordt nu kortaf. En gaat weer door met de andere moeder. Tataratara. De metro arriveert en al pratend stappen de moeders met hun kinderen in. Tataratara.

In de metrowagen begint het jongetje te spelen met de klep van een asbak. Klepperdeklep. De moeder zegt: Hou daar mee op. Het jongetje stopt even, en begint dan weer. Klepperdeklepperdeklep. De moeder wordt nu boos. Het jongetje houdt dan even op, en gaat weer verder. Klepperdeklepperdeklepklep.

‘En dat kind gaat straks naar school,’ besluit Beate Letschert haar verhaal. Je zult dat jongetje maar in de klas krijgen. Erger nog, je zult hem maar zijn...

Beate Letschert is weer in het land: op woensdag 16 februari 2011, 's avonds te gast bij het NIVOZ in Driebergen.

zaterdag, december 18, 2010

Geniet

vrijdag, december 17, 2010

Gratis en voor niets: complimenten scheppen ruimte voor creativiteit


Creativiteit is het belangrijkste wat je kunt ontwikkelen. Creatieve mensen weten zichzelf te redden, net als creatieve organisaties. Ze verzinnen eenvoudige oplossingen voor ingewikkelde problemen. Creativiteit staat aan de wieg van alle wetenschappelijke doorbraken en van elk marktsucces. Van ‘Eureka!’ tot het geeltje van 3M. Maar creativiteit leer je niet op school. Sterker nog, waar we als samenleving de meeste behoefte aan hebben leren we op school af. Om jaren later naar de Baak gestuurd te worden – om ‘creatief leiderschap’ te ontwikkelen. Waar mensen als ik dan weer hun brood mee verdienen. In kwaliteitstermen: allemaal reparatiekosten.


Hoe het gaat. Je komt onbevangen ter wereld. Je bent speels, onderzoekend en wilt graag leren. Je bent nog aangesloten op iets onnoembaars. Maar dat leer je snel af. Binnen de lijntjes kleuren en met je rechterhand schrijven. Lang leve de linkerhersenhelft. Die we testen met de allesbepalende Cito-toets. Jaren later zit je ineens op een creativiteitstraining. Want je organisatie moet innovatiever worden. En jij creatiever. Daar hoor je over je ont-wikkelen, je eigen bron aanboren en het spelende kind in jezelf terugvinden.

Waardering en bewondering
Nog zoiets. Vaak moet je wachten tot je afscheid om te horen wat mensen nou echt aan je waarderen. Afscheid op het werk of afscheid van het leven. Op je receptie hoor je de mooiste dingen over jezelf. Je gaat bijna uitzien naar je begrafenis of crematie! We vinden het normaal. Je doet je werk goed en dat wordt for granted genomen. Geen loftrompet, want straks ga je nog naast je schoenen lopen. Of erger, om opslag of bevordering vragen.
Of het gaat zoals mij een paar jaar geleden gebeurde. Mijn grootste opdrachtgever was ontzettend tegen me uitgevaren. Ik vond dat ik dat nergens aan had verdiend. Daarover hadden we een heftig gesprek waarin we onszelf aan elkaar durfden te laten zien. Gelukkig. Even niet de grote stoere jongens uithangen. Wat bleek? Zonder dat we het van elkaar wisten bleken we grote bewondering voor elkaar te hebben. Dat hadden we elkaar nog nooit laten weten! En na al die jaren deelden we dat – eindelijk. Complimenten over en weer. Ruzie voorbij. Letterlijk opgelost.

De Nintendo Generatie
Er is iets aardigs gaande. In 1984 kwam de eerste spelcomputer van Nintendo op de markt. In een Nintendo-spel krijgt je minstens zestig positieve bevestigingen... per minuut. Dat is minimaal elke seconde een toejuiching! Wereldwijd is inmiddels een complete generatie opgegroeid met Mario’s ‘Okey dokey!’, ‘Woohoo!’, ‘Let's a-go!’, ‘It's-a me! Mario!’ Dat is andere taal dan de generatie ervoor te horen kreeg. Die werden groot met Calimero: ‘Zij zijn groot en ik is klein, en da’s niet eerlijk, o nee...’ Met bijbehorend complex. De Nintendo-generatie komt eraan. Die leven van bevestiging. Thumps up.
Dat kan ook doorslaan. Je ziet het in sport en entertainment. De opgestoken duim na de gemiste voorzet, het elkaar toejuichen in de talentenjachten op tv. Het onaardt in kritiekloos aanmoedigen. Alles is goed, en alles is leuk. Ouders langs de sportvelden die de nare overtredingen van hun eigen kind niet zien – en het leren dat het de schuld van de scheids is. Weer een onmogelijk kind erbij. Idols-ouders die niet horen dat hun kind domweg vals zingt. Met alle gevolgen voor het kind – neergesabeld door de weinig complimenteuze maar wel deskundige jury (‘klootzakken!’). Nog een getraumatiseerd kind erbij.

Complimenten kosten niets

Het kan toch niet waar zijn dat je de mooiste dingen over jezelf pas te horen krijgt als je vertrekt? Of in een ruzie als je bijna vertrekt? Wat zou er gebeuren als het normaal wordt om elkaar te laten weten wat je in de ander het meest waardeert? Je zelfvertrouwen stijgt, net als je eigenwaarde. Je voelt je sterker en steviger. Minder onzekerheid, minder stress, minder onduidelijkheid, minder energieverlies. Je hoeft niet meer naar een coach of training om een boost te krijgen: die geef elkaar je dagelijks!
En het kost niets... Behalve aandacht. Aandacht voor iemands inzet, voor iemands betrokkenheid. Er eerlijk en oprecht aandacht aan besteden wanneer iemand iets goed doet, of het goede doet. Complimenteren. Elke keer. Elke keer? Ja, elke keer weer! En zeker bij mensen die ogenschijnlijk weinig goeds doen. Juist daarbij werkt het: de chagrijnigste muts van de afdeling, die irritante k-marokkaan met dat petje, verzuurde en gescheiden blanke vijftigers met snorren en plusglazen. Verrassingseffect. Complimenteren is niet alleen de goedkoopste maar ook de krachtigste manier om de sfeer in een organisatie duurzaam te verbeteren en kostenloos meer te presteren. Best things in life are free.
We zijn ongelofelijk terughoudend in het uitdrukken van waardering naar elkaar. Terwijl we er ondertussen zo’n grote behoefte aan hebben. Complimenteren betekent bemoedigen en bekrachtigen. Zonder soft te worden. Realistisch en eerlijk. Hoeveel bemoedigende boodschappen geven we en ontvangen we op het werk? Hoe vaak zeggen we: ‘Goed gedaan!’ of ‘Bedankt!’? Hoe vaak geven we elkaar een welgemeend compliment? Thuis gaat misschien nog wel, maar op het werk schijnt het erg lastig te zijn.

Verlegenheid

Wat let je om een compliment te maken? Verlegenheid. Hetzelfde verschijnsel dat zich voordoet wanneer je een compliment ontvangt. In de complimentenronde (zie kader) is het zowel grappig als genant wanneer mensen (veel, en vaak!) zich niet meer alle complimenten die ze hebben ontvangen ook kunnen herinneren. In een beledigingenronde zou dat niet gebeuren! Beledigingen onthouden we goed, veel te goed. Ze komen hard binnen en we slaan ze diep op. Kantoormasochisme. Complimenten zijn lastiger om bewust te horen en goed op te slaan. Misschien omdat we het gewoon niet gewend zijn. Hoe dan ook, het blijft verbazingwekkend, die verlegenheid wanneer je iets positiefs over jezelf hoort.
Wanneer je iemand een compliment geeft laat jezelf zien. Dat houdt tegen. Want wat zal die ander daarvan denken? Het maakt verlegen. Je voelt je kwetsbaar. Bovendien, een compliment komt niet zomaar op. We lijken meer (in)gericht op kritiek hebben dan een compliment geven. Kritiek is gebruikelijk, een compliment is bijzonder. In de media en de politiek zie je dat uitvergroot – met PowNed, Geen Stijl en de PVV als kampioenen. En aan kritiek is wantrouwen verbonden. Zie voor voorbeelden diezelfde media en politiek. Niemand is te vertrouwen en daarom is een compliment van een ander ook niet te vertrouwen: ‘Mot je wat van me?’ Andersom vertrouw je jezelf niet – en verdenk je jezelf van opportunisme – als je een compliment geeft: je wilt iets van die ander. Maar zoals de waard is...

Kwetsbaarheid
Complimenten geven lijkt net zo moeilijk als gewoon aardig zijn. Want wat doe je dan? Je toont je kwetsbaar. Je laat zien wat iets of iemand met je doet. Je doet je vizier omhoog, je harnas open. Met alle risico’s van dien. Tenminste, dat denk je. Maar het grootste risico dat je loopt is dat je zelf iets aardigs terughoort, dat je zelf een compliment krijgt. Ik vertelde een goede vriend dat ik de laatste tijd zoveel aardige mensen tegenkom. ‘Dat doe je zelf,’ was zijn antwoord. ‘Kwetsbaarheid is ontwapenend. Aan iemand die vriendelijk is durf je je eigen vriendelijkheid te laten zien.’

Ruimte voor creativiteit

Creativiteit vraagt om onbevangenheid en zelfvertrouwen. Die kwaliteiten groeien niet in een sfeer van angst. Wel in een sfeer van bemoediging en bekrachtiging (zie kader Hoe werken complimenten?). In een omgeving waarin geen angst is om het fout te doen en juist het goed en het goede doen wordt toegejuicht. Complimenteren schept ruimte voor creativiteit en draagt zo direct bij aan het creëren van een innovatief klimaat. Gratis en voor niets.

Hoe werken complimenten?

Complimenten halen het beste naar boven, omdat ze het beste benoemen. Een compliment maakt op een positieve manier duidelijk welk gedrag gewaardeerd wordt. Degene die het compliment ontvangt weet dat en kan uit verlangen naar die waardering dat gedrag vaker vertonen. Want gewaardeerd gedrag zet je voort, het herhaalt zich. Complimenteren is een vorm van positieve bekrachtiging. Het is het tegenovergestelde van negatieve bekrachtiging. Dan wordt er druk uitgeoefend, of er is sprake van dwang of sancties. Een voorbeeld is afgedwongen verandering. Je doet het niet uit vrije wil, of omdat je zin hebt om dat te doen. Je doet alleen maar het hoogst noodzakelijke en je houdt er ook weer zo snel mogelijk mee op. Daarom mislukken zoveel verandertrajecten. En in samenlevingen en bedrijven met een steeds hoger opleidingsniveau laten steeds minder mensen zich dwingen.
Druk en dwang komen goed beschouwd voort uit angst. Angst dat iets niet vanzelf gaat. Of niet op de gewenste manier gaat. Vaak ontstaat druk en dwang ook uit de behoefte om op korte termijn iets voor elkaar te krijgen. Of uit angst om de controle te verliezen. Dan kan het met geweld gaan. Vaak met weinig duurzaam resultaat. En soms ook tegen hoge kosten (handhaven, straffen). Druk en dwang werken ook via angst. Belonen, waarderen en complimenteren is het omgekeerde van controleren, dreigen en straffen. De aandacht gaat uit naar wat goed is, in plaats van wat niet goed gaat.
Complimenteren is een vorm van belonen. Het laat, in tegenstelling tot straffen, ruimte. In die ruimte kan creativiteit gedijen. Want voor creativiteit heb je nu eenmaal ruimte nodig. Om creatief te zijn moet je risico durven nemen: uitproberen, het fout laten gaan, overnieuw beginnen. Angst om gestraft te worden belemmert creativiteit. Maar ook gehoorzaamheid belemmert creativiteit. Want gehoorzaamheid is uiteindelijk vermijding van straf. Daarom is gehoorzaamheid, met op de achtergrond dreiging met straf, de dood in de pot.

(Verschenen in Leren in Organisaties / december 2010, met dank aan dr Marius Rietdijk)

vrijdag, december 10, 2010

HaHaHa! - Hoe Het Hoort werkt niet meer, je eigen geluid des te beter


Dit schreef ik laatst voor het Tijdschrift voor Management Development. De tijd lijkt het ingehaald te hebben: Geert Wilders is door alle gedoe en schandalen rond zijn fractiegenoten even heel stil. Zolang het duurt natuurlijk.


Ik bewonder Geert Wilders. Ik ben ook jaloers op Geert Wilders. En ik heb zelfde waarden als Geert Wilders. Zo, dat hoor je niet te zeggen. Not done. Want Geert Wilders mag dan gedogen, hij hoort er toch niet echt bij. Of beter, echt niet bij. Op zijn beurt wordt hij gedoogd door degenen die hij gedoogt. Want wat hij zegt ‘kan echt niet’ – maar mag ondertussen wel.

Wat ik bewonder in Geert Wilders? Zijn creativiteit en zijn humor, zijn onconventionele aanpak en zijn strategisch inzicht. Jaloers ben ik op zijn tomeloze energie, zijn doorzettingsvermogen en zijn ausdauer. Ook zijn pijnlijke helderheid en koele scherpte vind ik jaloers makend. En ik deel de waarden die ik proef onder zijn zorgen over mensen die niet zo goed voor zichzelf kunnen zorgen als hij en ik.

Ik lijk ook op Geert Wilders. Ik kan net zo vilein en venijnig uit de hoek komen. Naar anderen wijzen, hen de schuld geven. Zij hebben het gedaan: ‘Hullie!’ Ruzie maken met boven mij gestelden en andersdenkenden. Lekker jennen. De vermoorde onschuld spelen. Anderen bang maken, maar daar niet op aanspreekbaar zijn. Net doen of het me niks kan schelen dat een ander last van me heeft of bang voor me is.

Dit hoor ik ook niet te zeggen. Zeker niet in – bijvoorbeeld – een kennismakingsgesprek. Tenminste, als ik graag die opdracht of baan wil. Dat is niet zo handig. Want niemand wil het horen. De onuitgesproken afspraak is dat we ons zo goed mogelijk aanpassen aan Hoe het Hoort. En het spel is dat de ander – de HRM’er ! – dat dan door heeft. Want daar hebben ze voor doorgeleerd, en het vormt een deel hun bestaansrecht om ervoor te zorgen dat onconventionele doeners en denkers niet binnenkomen.

Beter doe je met het spelletje en de conventies mee. Dus je trekt je beste kleren aan, je vriendelijkste gezicht en je past je voldoende aan om de klus te krijgen of aangenomen te worden. Je doet Hoe Het Hoort. Dat hebben we allemaal van jongs af aan geleerd, dus dat is niet zo moeilijk. Want we weten dat rebelleren meestal niet zo handig is – dus passen we ons aan. En dan, na een tijdje, begint het toch te wringen; van twee kanten.

Want hoe gaat het? Je hebt je aangepast. Daar heb je aanvankelijk profijt van: je mag meedoen en je wordt gezien. Je krijgt voor elkaar wat je voor elkaar wilt krijgen. Gewoon, omdat jij het wilt. En omdat het past binnen het afgesproken kader. Ondertussen begint er toch iets te zeuren. Je komt niet tot je recht. Je kunt je ei niet kwijt; je organisatie vraagt om authenticiteit, maar die had je juist weggestopt. En dan begin jij te zeuren.

Zo deed Geert Wilders wat wel meer mensen doen. Hij wilde zich profileren. Zijn hoogst eigen verhaal vertellen. Klassiek: de zoon die ageert en te hoop loopt tegen zijn vader: ‘Schop me eruit!’ En zo geschiedde. Van Aartsen zette hem uit de fractie. Zo kon hij voor zichzelf beginnen. Een ZZP’er in de Tweede Kamer. ‘Groep Wilders’, gelijk groot denken. De rest is geschiedenis.

Hoe Het Hoort is onderhand ook geschiedenis. En waarom niet? Wat is er tegen om te zeggen wat je echt vindt? Sterker nog, leiderschap vraagt juist om out-of-the-box denken en doen. We kennen allemaal de voorbeelden van bedrijven die ten onder gingen aan ‘meer-van-hetzelfde’. MD’ers zijn daaraan vaak medeplichtig: te veel MBA’ers, te weinig dwarsdenkers, te veel mensen die weten Hoe Het Hoort en vinden dat het ook zo Moet. MD moet meer openstaan voor mensen met een eigen geluid; te beginnen met een eigen MD-geluid, want Hoe Het Hoort werkt ook in MD niet meer.

vrijdag, november 19, 2010

Schreeuw (A.L. Snijders)

A.L. Snijders heeft net de Constantijn Huygens Prijs gewonnen. Een paar keer per week stuurt hij via zijn mailinglist een ZKV rond, een Zeer Kort Verhaal - zijn zelf bedachte genre.

Deze ZKV vond ik vandaag in mijn postbus. Woedend, schrijnend, waar en actueel.




Het kan mij niets schelen dat Lucassen het doet met een ondergeschikte die het ook graag met hem doet. Dat hij een oude man bang maakt volgens de instructies uit het militaire martelboek, maakt me ziek van woede. In een stukje schreeuw ik. Het blijkt een culturele schreeuw te zijn, tegen het afschaffen van orkesten.

de dreiging

We hebben nu een volksvertegenwoordiger die kilometers op korte afstand achter een oude man loopt die zijn hond uitlaat. De oude man heeft de gewoonte op zijn route de eendjes te voeren, maar hij ziet ervan af, hij is bang dat de volksvertegenwoordiger hem in het water zal duwen, hij is bang dat hij zal verdrinken. Als hij thuis is, huilt hij. De volksvertegenwoordiger behoort bij de partij waar angst en dreiging gewaardeerde gasten zijn.
Op een koude herfstavond zien drie gezonde jongens een introverte knaap met een vioolkist staan op het station van Ruurlo – hij wacht op de trein, het is mistig. De jongens komen op hem af, ze vragen wat er in de kist zit. Iedereen weet wat er gaat gebeuren. Hij maakt de kist open, hij speelt voor ze. Als het genoeg is, zullen ze de viool vernielen. De komst van de trein redt het instrument. De gezonde Hollandse jongens gaan een mooie toekomst tegemoet, de partij wacht.

woensdag, september 08, 2010

De jeugd heeft de toekomst – gelukkig maar


Eind mei 2010, Den Haag. De partij is weer terug. Veel raadszetels gewonnen en na stevig onderhandelen met twee wethouders vertegenwoordigd in het nieuwe college van B&W. Het is een democratische partij, dus het zojuist ondertekende coalitieakkoord wordt besproken met de leden.

Een zaaltje aan een Haags grachtje, huisnummer 66. Ongeveer zoveel leden zijn er ook komen opdagen. Hun gemiddelde leeftijd is lager. Bij nadere beschouwing zijn er zijn eigenlijk twee soorten mensen aanwezig. De ene helft heeft zo te zien een gemiddelde leeftijd van zestig, de andere helft waarschijnlijk de helft daarvan, dertig. De plaatselijke voorzitter is zichtbaar blij en tevreden, net als de vers gekozen raadsleden en de nieuwe wethouders.

De leden kunnen vragen stellen. Er wordt van alles gesteld, behalve vragen. Allerlei mensen vinden van alles. Ze hebben geen vragen – ze hebben vooral klachten en kritiek, soms vermomd als een vraag. De toon is scherp, de houding formeel, de stemming wantrouwig. En geen woord van waardering, geen enkel. Ja, op het laatst, als een oud-raadslid het niet meer kan aanhoren. Die kent haar pappenheimers en weet dat de leden niet spontaan iets aardigs zullen zeggen of een compliment zullen geven. Dus doet zij het maar, ongevraagd, min of meer namens de zaal. En besluit met een sneer naar de grootste coalitiepartner. Want het blijft natuurlijk wel politiek.

Wie zijn toch degenen die deze avond vullen met hun teksten? Bijna allemaal mensen uit die ene oudere helft, de senioren. Vanuit de jongere helft komen, als gevraagd, vragen. Niet meer dan nodig, to-the-point en constructief. En ze luisteren naar het antwoord. De stemming onder deze jonge mensen is opgewekt, steunend, vertrouwend. Wat een verschil met de mensen die hun ouders zouden kunnen zijn, of zijn.

Natuurlijk, het is begrijpelijk. De ouderen hebben het allemaal al een keer meegemaakt. Een mooie winst leverde uiteindelijk niets op, ondanks alle mooie verhalen en hoge verwachtingen. Ze zijn vaak teleurgesteld in de onbalans tussen formele macht (zes raadsleden en twee wethouders, niet slecht!) en werkelijke invloed (wat heb je nou concreet bereikt in vier jaar?). Ze zijn er sceptisch van geworden, sommigen zelfs cynisch. Van goedgelovig naar ongelovig. Ze denken in termen van strijd. Je moet vechten om iets voor elkaar te krijgen. Dus ook bondjes maken met medestanders, waardoor de anderen vanzelf tegenstanders zijn. Wij en zij, voor en tegen – een overzichtelijke wereld.

De jongeren ondertussen gaan onbevangen de toekomst tegemoet. Ze zijn bereid om risico’s te lopen, fouten te maken en vertrouwen te investeren in een – in hun ogen: per definitie tijdelijke – coalitie. Voor hen is de partij een betrouwbaar netwerk waarin ze zich thuisvoelen. Hier kunnen ze hun politieke betrokkenheid uitleven. Voor muziek, sport, dance, entertainment, en, o ja, werk hebben ze weer andere ontmoetingsplekken, waar ze weer andere mensen tegenkomen. Andere mensen en daarmee andere kanten van zichzelf. Hun leven is een kaleidoscoop, de wereld is hun speeltuin. Zo leren ze zichzelf en hun eigen veelzijdigheid kennen.


Gelukkig, de jeugd heeft de toekomst.



Verschenen in: Tijdschrift voor Management Development, nr 3, najaar 2010

zondag, augustus 01, 2010

Laat gaan dat verleden, stap in de toekomst

Otto Scharmer (MIT Boston, geboren in Hamburg, Duitsland) was in het land om te vertellen over Presence en zijn Theorie U. Als mens en organisatie kun je werkelijk iets bijdragen wanneer je beschikt over een open geest, een open hart en een open wil. Wat daarbij in de weg kan zitten zijn oordelen, cynisme en angst. Zeg maar de stemmetjes in je hoofd.

Loslaten is waar het volgens hem allemaal om draait. ‘Leuk hoor, maar wat dan?’ zei het stemmetje in míjn hoofd. In de garderobe liep ik Herr Doctor zelf tegen het lijf en vroeg hem ‘Wat is nou het belangrijkste om los te laten?’ Hij keek me aandachtig aan en zei met dat grappige accent: ‘Ego... And old habits! What do you think?’ ‘I think you’re right’ zei ik, met mijn accent.

Oude gewoontes vormen de grootste belemmering om een volgende stap te maken. Naar meer openheid, eerlijkheid en duurzaamheid. Ons verleden houdt ons weg van onze toekomst. Dat verleden vertoont zich als ons ego. Onze gehechtheid aan wat we hebben en wie we denken te zijn. Het heeft ons ver gebracht – en nu zit het in de weg.

Elke volgende stap begint met loslaten. Maar je weet wat je hebt en niet wat je krijgt. Doodeng. Tegenslag of crisis kan helpen. Want dan het maakt niet meer uit, oude gewoontes blijken toch niet meer te werken. Je hoeft je niet meer groot of iets op te houden. Laat gaan die oude gewoontes. Als je op een ander niveau verder wilt.


Verschenen in: Academy Magazine, no. 15, 2010

maandag, juli 12, 2010

'Dit is gekkenwerk!' [Vakantieverhaal]


De eerste zaterdag van de voorjaarsvakantie stonden we heel vroeg op. Om naar de wintersport te gaan. Actieve ontkenning van de economische crisis. Maar de crisis die op tv was, viel niet te ontkennen: kabinetscrisis. Thuis zagen we nog even Balkenende, onderweg hoorden we Bos. Grappig genoeg was niemand verrast. Eigenlijk was het al meer dan een maand kabinetscrisis. Na het verschijnen van het rapport van de commissie-Davids was het niet meer de vraag óf maar wanneer het kabinet zou vallen. Iedereen wist het allang, maar het kabinet zelf bleef het actief ontkennen.

De middag ervoor fietste ik om een uur of vier uur over het Binnenhof. Mijn vorm van ramptoerisme. Voor de deur van Algemene Zaken stond het vol met pers. Tientallen journalisten, fotografen, cameramensen, geluidsmensen. Wat hebben we toch veel zenders. En wat hadden ze het koud. Ik vroeg een van de kleumende mensen: ‘Hoe lang sta je hier al?’ ‘Sinds tien uur vanochtend’ was het bibberende antwoord. ‘En hoe lang duurt dit nog, wat verwacht je?’ ‘Het moet zo toch wel klaar zijn, dat komt toch niet meer goed?’ Nou dat duurde dus mooi nog twaalf uur. Een half etmaal. In totaal was het kabinet zestien uur bezig met vallen. Beter, toegeven dat het eigenlijk allang gevallen was. Een paar uur later liep Wouter Bos alweer campagne te voeren. Met een dodelijk vermoeid hoofd. Mensen vonden het geweldig dat hij op de been was, in het weekend, vrijwel zonder nachtrust. Niet veel later kondigde hij zijn afscheid van de politiek aan. Om vaker thuis te kunnen zijn.


‘Dit is gekkenwerk’ riep Freule Wttewaall (spreek uit: Utewaal) van Stoetwegen ooit uit in de Kamer. Dat was eind 1970, tijdens een nachtelijk, bijzonder verwarrend debat. Partijen bestookten elkaar met moties en tegenmoties. Een katholiek kamerlid werd onwel en de protestantse freule stemde per ongeluk op de verkeerde motie. Het ging helemaal nergens meer over – en zij durfde dat te benoemen. Het maakte haar populair, bij vriend en vijand. Farce Majeur, het televisiecabaret van de vader van Clairy Polak, maakte er een liedje over. Jette Klijnsma kent het nog uit haar hoofd, bleek laatst bij De Wereld Draait Door. Maar de politiek is in 2010 nog even koddig als veertig jaar geleden. Nu zonder freule die ’s nachts een spiegel voorhoudt. De politiek is zelf cabaret geworden.

‘Die zijn gek’ was de spontane reactie van de kinderen toen ze die ochtend tegen vijven nog even de tv aanzetten. Volgens hen moet je volslagen maf zijn om tot vier uur ’s morgens te vergaderen en daar dan ook nog persconferenties over geven. Tot ’s morgens vroeg feesten, en dan nog uren chillen, natuurlijk. Maar tot de volgende ochtend praten met mensen, die je liever even niet meer wilt zien, over iets waar je het toch niet meer over eens wordt... Waar gáát het dan nog over? Gewoon, nergens over! Ja, over mensen die hun hachie proberen te redden. Ergens nog zo goed mogelijk uit tevoorschijn proberen te komen. Verzinnen hoe ze de ander de schuld kunnen geven. Eindeloos bakkeleien, en daar dan ook nog flink over doen. Deze mensen worden toch geacht ons land te leiden? Lekker voorbeeld.

Gelukkig lachen mijn kinderen zich een hoedje. Ik hoop dat ze zichzelf gaan leiden. Hun eigen leven leiden.

Twitter Delicious Facebook Digg Stumbleupon Favorites More